MenuDojo's
Amsterdam |
De Meester Zwaartvechterdoor WILLEM BEKINKDeel IIHet boze knaapje keek de hut eens rond en schopte woedend hier en daar het spaarzame meubilair aan diggelen. Het onzichtbare gevolg keek ontzet toe en er werd een notitie gemaakt om de Oude Man een schadevergoeding aan te bieden als hij daar niet zelf om zou vragen De kleine aspirant-krijgsman stapte daarop naar buiten, ging voor de ingang zitten en zette het op een krijsen. Dit echter bezorgde hem een rood hoofd, duizeligheid en een geweldige dorst. Hij hield er daarom maar mee op en verzonk verongelijkt in bittere gedachten over het hem aangedane onrecht. Tenslotte vermoeide ook het denken hem en daarom zat hij maar, tot het vallen van de avond. Vastbesloten zijn plaats niet te verlaten viel hij op een gegeven moment om en sliep hij zoals hij lag, tot grote ontzetting van zijn onzichtbare bewakers. In de prille ochtend werd hij wakker, rekte zich uit, dook de bosjes in om zijn behoefte te doen en haastte zich weer naar zijn post. Tot zijn grote verwondering zag hij echter de Oude Man uit zijn hut komen, een plas doen om daarna weer in het bos te verdwijnen. Opnieuw woedend overwoog hij wat nu te doen, de ouwe gek nog een kans te geven of de hele zaak maar op te geven. Intussen overlegde izjn gevolg in verwarring of ze tevoorschijn zouden komen om de ongetwijfeld uitgehongerde kleine krijgsman-in-spè te eten te geven of om hem hongerig te laten zodat hij vanzijlf deze belachelijke onderneming zou opgeven. Terwijl zijn gevolg maar iet tot een besluit kon komen zat de jongen met een woedend gezicht als een soort miniatuur Daruma onbeweeglijk op zijn plaats, af en toe een paar vliegen afslaand. En zo zat hij de hele verdere dag, zonder enig teken van honger èèn brok vastbeslotenheid. De bewakers keken in verbaasde bewondering toe en zonden uiteindelijk iemand naar het paleis van de Daimyo om te vragen hoe nu verder moest worden gehandeld. De Grote Daimyo zond daarop een korte boodschap naar de Oude Zwaardmeester met een uitnodiging om naar het paleis te komen om eens over de jongen te praten. Het antwoord was even kort: “Geen zoon kan ooit respect leren als de vader het niet kan uitdragen. Ik heb geen tijd om naar U toe te komen en ik weet ook niet of ik wel de tijd zal hebben om te praten als U naar mij zou komen”. De volgende dag arriveerde in alle vroegte de Daimyo met een groot gevolg bij de hut van de Oude Meester en ging naast zijn zoon zitten. Zo wachtten zij beiden de hele ochtend totdat deze gereed was met zijn meditatie. Toen de Oude uiteindelijk klaar was kwam hij naar buiten, ging voor vader en zoon zitten en maakte een buiging, alhoewel niet te diep. Met een onbewogen gezicht keek hij de Daimyo strak aan en zei ten lange leste: “U wilt dat ik les geef in Kendõ, een kunst waarvan ik eigenlijk reeds afstand heb gedaan, aan een verwend joch, dat wat z’n verwaandheid betreft zeker tienmaal zi’n eeftijd vooruit is. Ik moet toegeven dat hij het perfecte type is om andere idioten vaardig en opgewekt in stukken te hakken. Jammer genoeg ben ik niet van plan om een dergelijke macht in zulke handen te leggen, hoe nuttig ik overigens dergelijke opruimingen ook vind”. De jongen, die in de laatste dagen aanzienlijk volwassener was geworden, boog daarop diep en eerbiedig voor de Oude Meester, het voorhoofd tegen de grond en de beide vuisten naast de oren en zei: ”Sensei, vergeef mij, ik ben niet van plan om willekeurig mensen in stukken te hakken. Integendeel, ik wil de Kunst leren om juist het onrecht te voorkomen en het leven te kunnen beschermen. Ik smeek U Sensei, wees mijn leidsman op de weg van het Zwaard”. Lange tijd keek de Oude Meester naar het gebogen hoofd van de jongen en zei uiteindelijk: “Kom overeind, je gezicht is al smerig genoeg ook zonder dat je het tegen de grond zit te wrijven”. Vervolgens richtte hij zich tot de Daimyo en zei: “Uw zoon kan hier bij mij blijven. Ik kan niet beloven dat ik een zwaardvechter van hem kan maken of meester van de theeceremonie of zelfs maar een middelmatig houthakker. Maar misschien lukt het mij om op z’n minst ee nMan van hem te maken. Ik wens dat echter te doen op mijn EIGEN manier, in mijn EIGEN tijd en zonder ook maar de geringste bemoeienis van U of vanuit Uw hof. Ik wil verder niet hebben dat er ooit ook maar de kleinste poging wordt ondernomen om mij op welke wijze dan ook te belonen, gèèn gunsten, gèèn geld of goed in welke vorm dan ook. Ik neem namelijk die taak op mij, niet voor hèm en ook niet voor U, maar voor mezelf en misschien loop ik er straks wel mee voor gek”. De Daimyo keek strak voor zich uit en verbaasde vervolgens iedereen door eerbiedig een diepe buiging te maken voor de Oude Meester. Vervolgens kwam hij overeind en vertrok, de opwelling onderdrukkend om afscheid te nemen van de jongen. Hij was halverwege de terugtocht toen hij zich realiseerde dat hij gedurende het hele bezoek geen woord had gezegd.
|
|||